Duizend bommen en granaten

De Leusderheide kent een bewogen geschiedenis. Al in de tijd van Lodewijk Napoleon trokken groepen Franse soldaten over de Utrechtse Heuvelrug. De Pyramide van Austerlitz is daarvan een nog zichtbaar overblijfsel. De troepen hielden schietoefeningen op de Leusderheide. Na hun vertrek werd Amersfoort garnizoensstad en trainden er Nederlandse militairen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog oefenden de Duitsers er met vliegtuigbommen. Engelsen en Amerikanen beschoten het schijnvliegveld dat de Duitsers er hadden aangelegd. Na de oorlog trainden de Nederlanders er weer enkele tientallen jaren, met maar liefst dertig schietbanen. De stad Amersfoort dumpte er zijn oorlogspuin en waarschijnlijk nog veel meer.

Leusderhei

De Leusderheide ligt nu vol met lood en puin. Zo vol zelfs dat er mensen zijn die er handel in zien om het lood te verzamelen door het zand uit te zeven. Illegaal, maar het gebeurt! Sinds een aantal jaren wordt de heide alleen nog gebruikt voor oefeningen met (rups)voertuigen. De schietbanen liggen er verlaten bij en raken steeds meer begroeid. Vanwege de potentiële ecologische risico’s van al dat lood staan ze nu in de belangstelling van de overheid. Er is onderzoek gedaan naar de aard van de vervuiling en de Rijksvastgoeddienst heeft de opdracht gekregen om een saneringsplan op te stellen. Maar is saneren hier nu wel een goed idee?


Behalve een met lood verzadigd terrein is de Leusderheide bovenal een zeldzaam mooi natuurgebied. Bijna nergens vind je zulke mooie, goed onderhouden en zeer structuurrijke heide. Er zijn hier op de flank van de Heuvelrug grote hoogteverschillen. Leemlagen zorgen ervoor dat ook op grotere hoogte natte heide voorkomt. Je vindt er prachtige korstmosvegetaties tussen de heidestruiken. Er broedt een grote populatie nachtzwaluwen. Zandhagedissen en kommavlinders zijn er algemeen. Niet heel lang geleden kwam hier zelfs de duinpieper nog voor. Kortom, niet een gebied waar je zware machines de bodem wilt laten ontgraven.

De regelgeving over bodemverontreiniging is in Nederland – terecht! – vrij dwingend. Maar gelukkig biedt deze ook de mogelijkheid om in voorkomende gevallen een maatschappelijke afweging te maken. In de afgelopen maanden heb ik met mijn collega’s Aukje Beerens en Chris Jansonius zo’n afweging mogen onderbouwen. De vraag was: doet het middel van de sanering de natuur niet meer kwaad dan goed? Dat is nog geen eenvoudige vraag. Hoe weeg je de bodemverontreiniging af tegen de schade die zandhagedissen ondervinden van een afgraving van de bovenste grondlagen? We beantwoorden die vraag voor 27 locaties, meestal oude schietbanen.

We bekeken vier aspecten: Wat is de mate van verontreiniging en welke mogelijkheden zijn er voor sanering, wat is het natuurbeleid van Rijk en Provincie voor de Leusderheide, wat is de ecologische betekenis van de 27 locaties en wat zijn de ecotoxicologische risico’s voor de planten en dieren? Onze onderbouwde conclusie is dat grootschalig ontgraven vanuit het beleid én vanuit de ecologie ongewenst zijn. Afgraven, dus kaal zand creëren, is slechts op een paar plaatsen mogelijk zonder schade aan heide en bos. En dan alleen op kleine schaal. Meestal gaat het om de kogelvangers en enkele plekken die toch al kaal zijn. Dat zijn ook de plaatsen waar het meeste lood ligt. Ons advies was dan ook om alleen die plaatsen te saneren. Op andere plekken is het middel erger dan de kwaal.

De Leusderheide is misschien een extreem voorbeeld, maar vergelijkbare vragen komen we ook elders tegen. Bijvoorbeeld voor een aantal oude kleiduivenbanen in Limburg en voor een voormalige stortplaats in het Natura 2000-gebied De Abtskolk bij Petten (NH). Het gaat dan om het bepalen van de risico’s op die plek, ook in het licht van de ecologische doelen en de mogelijke verspreidingsrisico’s. In de Abtskolk zou ongeveer 5.400 m3 stortmateriaal moeten worden afgegraven. Er bleek geen sprake te zijn van humane risico’s of verspreidingsrisico’s naar het grondwater. Voor de ecologische afweging gebruiken we de EKBA-methodiek, waarbij vragen als ‘Is er een ecologische noodzaak om te saneren’, ‘Wordt het gebied er beter van?’ en ‘Is er een aanvaardbare saneringsmethode beschikbaar?’ centraal staan. Ook in het geval van De Abtskolk bleek dat saneren voor de ecologische doelen van het gebied niet nodig was. Daarmee is het gebied een grote, zinloze operatie bespaard gebleven. In een ander geval, de inrichting van een aantal Biesboschkreken, leek het project te stagneren vanwege de bodemkwaliteit die boven de normen voor zware metalen uitkwam. Met deze methodiek kon echter worden onderbouwd dat de ecologische risico’s in het gebied door de vergravingen niet groter werden en dat ecologische kwaliteit door de inrichting juist verbeterde.


In de genoemde vier gevallen is de schade voor de natuur door het onderzoek beperkt gebleven en de kosten voor de belastingbetaler ook. Hiermee zijn zinloze projecten te voorkomen. Maar niet altijd is de conclusie van dergelijk onderzoek dat ‘niets doen’ het beste is. Soms moet er echt worden gesaneerd. Laten we die ‘maatschappelijke afweging’ blijven maken. Met respect voor de natuur!

Dolf Logemann

Senior Adviseur Ecologie en Natuurbeleid +31 (0)6 2706 0800 Stel mij een vraag