AUTHOR

Sarina Versteeg
Marien ecoloog en projectleider

Marien ecoloog en projectleider

De bruinvis is één van de bekendste en schuwste beschermde dieren van de Noordzee. Ze laten zich moeilijk oberveren wat het moeilijk maakt om een goed beeld te krijgen van hoe het met ze gaat qua gedrag en voortplanting.


Als er op de Noordzee een project is bedacht met een mogelijk effect op beschermde natuur zoals de bruinvis, dan heb je een natuurvergunning nodig. Om een vergunning te krijgen van de overheid moet je een ecologische toetsing doen. Op hoofdlijnen is zo’n toetsing heel simpel: je kijkt of het project een negatieve invloed op een beschermd habitat of op een beschermde diersoort heeft.

Maar… hoe weet of meet ik het effect van een project? Dé grote uitdaging in ‘marien ecologische toetsingen’ is het kennisniveau over onze eigen Noordzee. Op de kaart is onze Noordzee een mooie blauwe driehoek. In realiteit is het een aaneenschakeling van leefgebieden onder water met onwaarschijnlijk veel meer variatie dan het kaartje met de blauwe driehoek doet vermoeden.

Terug naar de bruinvis. Over hun gedrag en voortplanting weten we dus eigenlijk maar weinig. Laat staan over hoe een bruinvis reageert op elektromagnetische velden die rond elektriciteitskabels ontstaan of onderwatergeluid van schepen en windmolens. Maar instanties geven een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming pas af als we ernstige (significant) negatieve gevolgen van een project op deze dieren kunnen uitsluiten. Aan ons de uitdaging om deze effecten goed in kaart te brengen!

Data verzamelen

Gelukkig hoeven wij dit als ecologen niet alleen op te lossen. Ecologische beoordelingen beginnen vaak met de vraag wat de omgeving merkt van het project. Daar hebben onze geluidsspecialisten, morfologen en de modelleurs van elektromagnetische velden een veel beter antwoord op dan wijzelf. Een project begint met het ophalen van data en de verwerking daarvan tot een begrijpelijk verhaal.

Het vervolg is veel ‘ecologischer’ van aard. We kijken welke soorten/habitats iets kunnen merken van het project én in het gebied voorkomen. Zo constateer je dat er bruinvissen in het projectgebied voorkomen en dat die een elektromagnetisch veld van een kabel in de zeebodem kunnen waarnemen. Er zijn namelijk aanwijzingen dat bruinvissen het aardmagnetische veld gebruiken om te navigeren en dus nemen ze ook het veld van de kabel waar. Vervolgens komen dan de moeilijkste vragen: wat doet dat met de bruinvis en de bruinvispopulatie?

Is er een negatief effect?

Uitvissen wat bruinvissen merken van een project vergt literatuuronderzoek. We zoeken uit hoeveel bruinvissen er zijn in de Noordzee, wat ze eten en wat we weten over hun gevoeligheid voor elektromagnetische velden. Met deze informatie maken we een inschatting over het projecteffect. Rondom bruinvissen vinden we slechts één wetenschappelijk artikel uit 1989 over de effecten van elektromagnetische velden en magneetwaardes. We vergelijken onze modeldata en uit het veld geobserveerde waardes met die uit het artikel.

Op basis daarvan schatten we in dat de huidige kabels in de zeebodem waarschijnlijk geen effect hebben op het navigatievermogen van de bruinvis en de bruinvispopulatie. Waarschijnlijk dus, want zeker weten op basis van één artikel is wat optimistisch.

Al met al een hele zoektocht om tot de meest zekere conclusie voor de effectbepaling te komen. De formulering van een conclusie van zo’n toetsing kan dus best wat tijd kosten. En ondertussen blijven we de wetenschappelijke ontwikkelingen volgen zodat we ook de volgende keer weer het best mogelijke advies en conclusie te kunnen geven.

AUTHOR

Sarina Versteeg
Marien ecoloog en projectleider

Marien ecoloog en projectleider