De Europese plastiekstrategie gewogen

Ze is er al sinds begin januari 2018, de verse Europese Strategie voor Kunststof in een Circulaire Economie. Het stof is al een beetje gaan liggen, de meeste sectoren en bedrijfsfederaties hebben hun zeg al gedaan. Tijd dus om de strategie zelf eens meer in detail te bekijken en ook wat tussen de regels leeft, om na te gaan wat we eraan hebben. De strategie bevat goeie ideeën, zelfs enkele opvallend progressieve denkrichtingen indien ze uitgevoerd worden, maar ook een paar misvattingen en één grote vergetelheid.

Plastiekafval of voedselafval

Het begint bij een misvatting in de eerste paragraaf, de inleiding. Het belang van plastiek wordt bezongen als één van de belangrijkste materialen uit onze economie en onze samenleving. Terecht, plastiek is overal en vaak niet weg te denken uit onze manier van leven en geld verdienen. Maar opnieuw duikt hier een vervelende mantra op die met veel succes is gelanceerd door de verpakkingsindustrie: plastiekverpakking is noodzakelijk om voedselveiligheid te bewaken en voedselafval te vermijden. Daar is ze weer, die afweging tussen plastiekafval of voedselafval. Zoals de meeste paradoxen is ook dit een valse tegenstelling. Niet alleen kunnen andere verpakkingswijzen zonder plastiek voor eenzelfde service zorgen, een efficiëntere distributie kan het probleem bij de wortel aanpakken. Als we net zoveel voedsel in de rekken leggen dan er effectief op een dag verkocht en opgegeten wordt, dan is al die plastiek voor langdurigere versheid niet nodig. Maar dan moeten we er wel bijnemen dat soms de bloemkool uitverkocht is en we maar een broccoli moeten nemen. Een gruwel voor de supermarktuitbater, maar niet voor de consument. Er bestaat geen natuurwet die volle rekken op elk moment verplicht, en het zijn net die overvolle rekken (dat idee van liever te veel dan te weinig) die het voedselafval veroorzaken, niet het gebrek aan verpakking. 

100% recycleerbaar in 2030

De plastiekstrategie heeft echter vooral de aandacht getrokken door haar belofte: “alle plastiekverpakking wordt recycleerbaar tegen 2030”. Het klinkt fantastisch, maar we kunnen er een paar kanttekeningen bij maken. “Recycleerbaar”, dat wil niet zeggen “gerecycleerd”. De verplichting tot recycleerbare verpakking is in feite al zo oud als de straat. Ze staat in de essentiële eisen van de Verpakkingsrichtlijn uit 1994 en is sinds dan al verplicht. De CEN-norm EN 13430:2004 bepaalt hoe verpakking recycleerbaar moet zijn. En ook al is de handhaving op de essentiële eisen minimaal, het meeste verpakkingsmateriaal- met uitzondering van het boterpapiertje, de Caprisun drankverpakking en de aardewerken jeneverkruik- is vandaag al technisch recycleerbaar. Dit wil niet zeggen dat het gerecycleerd wordt. Het polyethyleen uit de fles voor rode spa is bijvoorbeeld effectief roodgekleurd en dus ongewenst als recyclaat. Niemand anders gebruikt rode PET. 
Het vernieuwende aan de plastiekstrategie zit hem echter in een bijzin: “in a cost effective manner”. We stappen af van ‘technische recycleerbaarheid’ naar ‘economische recycleerbaarheid’. De Commissie voorziet een aanpassing van de essentiële eisen. Het streefdoel voor effectieve recyclage is echter beperkt tot ‘more than half’ van de afvalberg in 2030. Vandaag is de recyclagenorm voor verpakking 55% en voor het plastiek in verpakking 22,5%. In het amendement uit 2015 voor de Verpakkingsrichtlijn, in het kader van het circulaire economiepakket, wordt voor 2030 75% als recyclagenorm voor verpakking voorgesteld en 55% voor plastiek in verpakking.  

Plastiek recycleren is moeilijk

Doorheen de plastiekstrategie wordt regelmatig gesteld dat plastiek op eenzelfde hoog recyclageniveau moet komen als glas, metaal, papier… Lovenswaardig en ambitieus. In datzelfde amendement waarin we naar 55% recyclage voor plastiek streven, staan nochtans ook normen van 75% voor hout, 85% voor ijzer en staal, 85% voor aluminium, 85% voor glas en 85% voor papier en karton. Zelfs dan is de recyclagedoelstelling voor plastiek eerder mager. Plastiek is immers heel lastig te recycleren. De plastiekstrategie haalt een aantal redenen aan: er zitten te veel additieven van diverse samenstelling in kunststof, soms brandvertragers, de markt wenst geen gerecycleerde grondstof, de kwaliteit voor food grade applicaties wordt niet bereikt, de producten en verpakkingen zijn te complex samengesteld, de samenstelling van plastiek consumentenafval is te gemengd, het is zwerfvuilgevoelig en de selectieve inzameling heeft haar gebreken. Toch wordt van plastiekrecyclage veel heil verwacht, onder meer een sterke reductie van de CO2-uitstoot. Als plastiek verpakkingsafval echter niet gerecycleerd kan worden tot opnieuw plastiekverpakking, dan blijft er aardolie nodig om die verpakking te maken. Als het gerecycleerd (of gedowncycled) wordt tot straatmeubilair ter vervanging van hout of metaal, of tot fleece stof ter vervanging van textiel, dan is er weinig CO2-winst te rapen. 

Straatmeubilair en fleece stof zijn daarbovenop gevoelig voor erosie en sleet, en dus een bron van microplastics. 

Vergeten: preventie

De grootste lacune of vergetelheid in de strategie heeft betrekking op preventie. De visie wordt als volgt verwoord: “A smart, innovative and sustainable plastics industry, where design and production fully respects the needs of reuse, repair, and recycling, brings growth and jobs to Europe and helps cut EU's greenhouse gas emissions and dependence on imported fossil fuels.” Alle heil dus van hergebruik, herstel en recyclage, en geen woord over het vermijden van het gebruik van plastiek. Toch zegt de strategietekst dat plastiekproductie sinds de jaren ’60 vertwintigvoudigd is, en in de komende twintig jaar nog eens zal verdubbelen. Ook wijst de strategie naar veranderende consumptiegewoontes, waaronder veel meer buitenshuis consumptie met meer gebruik van eenmalige verpakkingen en groter risico op zwerfvuil. Om plastiekafvalvervuiling te beperken moet men niet alleen beter recycleren, maar ook de plastiekproductie zelf afbouwen. We hebben niet alleen nood aan een ‘smart, innovative and sustainable plastic industry’ maar ook aan een kleinere plastiekindustrie. Zeker wanneer voor plastiekverpakking perfecte alternatieven bestaan in papier, glas of metaal die stuk voor stuk beter recycleerbaar zijn, loont het de moeite om de transitie in te zetten en dat moeilijk plastiek maximaal te vervangen door alternatieve materialen. De plastiekstrategie stelt voor de plastiekafvalproductie te ontkoppelen van de economische groei. Als niet tegelijkertijd de plastiekproductie ontkoppeld wordt van de economische groei lijkt dit een ijdele hoop. 

Preventieplicht

Ook preventie is een plicht die voor verpakkende bedrijven al lang van kracht is. Ik verwijs opnieuw naar die essentiële eisen uit de Verpakkingsrichtlijn. De hoeveelheid verpakking per product moet beperkt worden tot het uiterste minimum dat noodzakelijk is om nog veilig, hygiënisch en door de consument aanvaardbaar te zijn. Lees dit goed, niet wat de consument wenst, maar wat nog net door hem aanvaardbaar kan zijn. Als het de Commissie en de Europese Unie echt menens is met de plastiekstrategie, dan is het handhaven van deze al lang bestaande regel een cruciale eerste stap. Een korte wandeling door een warenhuis leert ons immers dat er vandaag niet te veel van in huis komt.

Producenten verantwoordelijk

De belangrijkste paragrafen van de plastiekstrategie hebben het over “the way forward, turning vision into reality’. Hoopgevend daarbij is dat de Commissie spreekt over inspanningen die de private sector zal moeten leveren, net als de overheden, de steden en de burgers. Dit is belangrijk: bedrijven worden gevraagd verder te kijken dan de eigen winsten of de voordelen van haar eigenaars of aandeelhouders. De Commissie heeft echter ook heel goed begrepen dat de taal van bedrijven vaak de taal van de portemonnee is. Vandaar haar focus op uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Dit instrument laat de producent van het plastiek betalen voor de selectieve inzameling en recyclage, voor de schade en het opruimen van zwerfvuil, voor de strijd tegen achtergelaten visnetten, voor het vervangen van microplastics en voor de financiering van innovatie. Maar een producent financieel verantwoordelijk stellen voor de afvalfase is en blijft de basis van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Het is daardoor dat een producent aangezet wordt om kosten te vermijden en zijn producten afvalarm en optimaal recycleerbaar te ontwerpen. De Commissie schrijft ten onrechte dat “producers of plastic articles and packaging have little or no incentive to take into account the needs of recycling or reuse when they design their products.” Als uitgebreide producentenverantwoordelijkheid correct wordt toegepast hebben ze financieel reden te over om hun producten te ontwerpen met oog op hergebruik en recyclage. Maar dan moet de bijdrage aan het systeem (het lidmaatschap bij Fost Plus of VAL-I-PAC) zo gemoduleerd worden dat het de effectieve recyclagekost weerspiegelt. Wie moeilijk te recycleren plastiekverpakking op de markt zet, betaalt daar de volle kost voor, zonder zich te kunnen verbergen achter de betere prestaties van sectorgenoten/ mede leden van Fost Plus of VAL-I-PAC met gemakkelijker afval. De Commissie gebruikt hier het woord ‘eco-modulation’ voor, moeilijk in praktijk te brengen maar wel de moeite waard. 

Statiegeld

De taal van de consument gaat eveneens vaak via de portemonnee. Ook hier schrijft de Commissie “There is no clear incentive for consumers and producers to switch to solutions that would generate less waste or litter.” Dat is er wel degelijk, en wat verderop in de tekst benoemt de Commissie het zelfs: statiegeld. Ze beschrijft hoe gerichte statiegeldsystemen zwerfvuil kunnen helpen reduceren en recyclage kunnen bevorderen. Dergelijke systemen hebben er al in verschillende lidstaten toe bijgedragen dat er hoge inzamelpercentages behaald worden voor drankverpakking. Ook maatregelen van een fiscale aard worden aangehaald als heel effectief. 

Productnormen en ban

Op vlak van wetgeving is er nog veel te realiseren, al heeft de Commissie wat koudwatervrees of wat minder de neiging om wettelijke maatregelen te nemen. Voor het bevorderen van gebruik van gerecycleerde kunststoffen als grondstof mikt ze bijvoorbeeld eerder op het bepleiten van de zaak bij de industrie, ze op vrijwillige basis overhalen. Ik weet het niet… aangezien de portemonnee het sterkte instrument is zou ik een stevige taks voorstellen op primaire grondstoffen om zo de secundaire beter in te markt te zetten. En voor additieven aan kunststof zou ik een RoHS-achtige regelgeving willen voorstellen, te introduceren via een uitgebreidere Ecodesign Richtlijn.  Het gebruik van stoffen die gevaarlijk zijn voor mens of milieu, of die de recyclage kunnen belemmeren wordt gebannen, niet alleen voor de RoHS stoffen maar voor alles waar een reukje aan zit, zoals microplastics in cosmetica.

Het risico van bio

Zelfs voor biodegradeerbare plastiek zou ik opletten. Aangezien die niet biodegradeert in de zee, in de eigen private composthoop of in de natuur, maar enkel in specifieke installaties, en aangezien het hinderlijk is voor de recyclage van de andere plastiek waarmee het samen ingezameld wordt, moeten we er toch maar enkele vraagtekens bij stellen. Is biodegradeerbare plastiek echt nuttig of vooral een vorm van greenwashing. De Commissie schrijft “Most currently available plastics labelled as biodegradable generally degrade under specific conditions which may not always be easy to find in the natural environment, and can thus still cause harm to ecosystems”. Misschien is biodegradeerbare kunststof eerder een probleem dan een oplossing.

Inzake plastiek gemaakt uit biogene grondstoffen, biomassa bijvoorbeeld, heeft de Commissie minder reserves. Dit zou inderdaad een oplossing kunnen zijn als alternatief voor het gebruik van fossiele olie. Dergelijke alternatieve feedstock wordt tot op vandaag weinig, te weinig, gebruikt. Vandaag wordt slechts 0,5% tot 1% van alle kunststof uit dergelijke alternatieve bronnen geproduceerd. Al zal een dergelijke aanpak niet alle problemen wegwerken, want de kunststof die ermee gemaakt wordt verschilt niet in aard van fossiele kunststof, toch is het een op te volgen piste. Eén waarschuwing: we moeten lessen trekken uit de ervaring en de discussies rond biodiesel. De gebruikte biomassa mag niet in competitie treden met de productie van voedingsgewassen. We mogen het voedsel van mensen in derdewereldlanden niet aanslaan om er onze kunststof uit te maken. Jammer dat de plastiekstrategie deze reflectie niet maakt.

De internationale component

Tenslotte kijkt de plastiekstrategie ook over de grenzen van Europa. Al is circulaire economie bij uitstek een lokaal gebeuren, toch zijn de recyclageketens voor kunststof wereldwijd. 
Voor kunststoffen waren China en Hong Kong tot voor kort de belangrijkste bestemmelingen. De Commissie omschrijft de inperking van export naar China vanaf 2018 terecht als een opportuniteit voor de ontwikkeling van de eigen Europese recyclage-industrie. Wanneer het aanbod aan plastiekafval op de Europese markt zal groeien en dus ook de nood aan verwerking, zal de vraag naar degelijke verwerkingscapaciteit eveneens stijgen en kan de recyclage-industrie een doorstart maken, waar ze nu vaak niet rendabel is. Waakzaamheid is echter geboden. Internationale afvalstromen zijn dynamisch en kunnen zich wel eens verleggen naar andere landen waar verwerking goedkoper is, omwille van arbeidsvoorwaarden of omwille van minder nood aan milieu-investeringen. Maleisië, Vietnam, Indië en Indonesië zouden wel eens het nieuwe China kunnen worden. Laat ons plastiek bekijken zoals het is, een moeilijk recycleerbaar product met heel wat milieu-impact. Laat ons dan ook de verantwoordelijkheid voor de verwerking ervan zelf opnemen, en het probleem niet exporteren naar landen met een zwakker sociaal- en milieu-kader.

Conclusies

De plastiekstrategie is een belangrijk instrument. Overheden worden opgeroepen om de hand aan de ploeg te slaan, op vlak van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, maatregelen tegen marien afval, tegen zwerfvuil, productnormen en recyclagedoelstellingen, preventie en statiegeld. Werk aan de winkel op lokaal en gewestelijk vlak dus. Ook voor bedrijven wordt het alle hens aan dek: innoveren met voor ecodesign, het aanpassingen van verpakkingsstrategieën, het beperken van verpakking tot het uiterste minimum, waar mogelijk verpakking overbodig maken, en zelfs het aanpassen van businessmodellen. Circulaire economie krijg je inderdaad niet gratis, al is het wel de enige zinvolle economische weg voorwaarts. Heel concreet moeten overheden en bedrijven hun plastiekprobleem onder ogen zien, kwantificeren, de oplossingen inventariseren en begroten en met de voeten op de grond de plannen realiseren, elk binnen zijn of haar bevoegdheden en mogelijkheden, maar ambitieus en met de blik voorwaarts.

Gelukkig staan overheid of bedrijven er niet alleen voor. Arcadis biedt als expert op vlak van afval en plastiek haar diensten aan, en weet als geen ander de vinger aan de pols van het Europese beleid te houden. Duurzaamheid is immers naast klantgerichtheid en integriteit één van de drie zuilen van de manier waarop Arcadis aan dienstverlening doet. Drie waarden die in dit complexe verhaal van plastiek en plastiekstrategie bijzonder van pas komen.


Mike van Acoleyen

Projectmanager Environment - Policy Studies +32 (0)472 53 0134 Stel me een vraag